Sunday, May 11, 2008

IJsbreken (16)



Poolblog – Dinsdag 6 mei http://www.volkskrantblog.nl/blog/57852

Om half zeven wordt door de intercom omgeroepen dat we vertrekken. Een half uur eerder dan gepland. Ik stond op het punt een douche te nemen, maar in plaats daarvan kleed ik me snel aan en beklim de trappen naar het bovendek. Ik ben het enige niet-bemanningslid dat net op tijd is opgestaan om het schip te zien vertrekken. De zon schijnt en er is geen wolkje te zien. Donker wordt het in de Amundsen Golf al dagen niet meer.

De Amundsen snijdt door de bevroren vaargeul die hij zelf twaalf dagen geleden heeft achtergelaten. Het ijs splijt met gemak. Lawaai maakt het ijsbreken nauwelijks. We stoppen even om een paar Duitse wetenschappers de kans te geven enkele door het schip gebroken ijsstukken te verzamelen. In een kooi worden de onderzoekers van het voordek naar beneden getakeld. Daar verzamelen ze grote en kleine stukken ijs.

Binnen tien minuten zijn we bij een groot stuk open water. Om zo min mogelijk brandstof te verstoken, zoekt de kapitein de breuklijnen in het ijs op om door te varen. Dat is zelden de kortste weg van A naar B. De helikopter heeft net van tevoren nog een verkenningsvlucht gemaakt samen met de kapitein.

Een uurtje later mag ik zelf met de helikopter mee, een Duitse BO 105, een beetje aangepast voor de Canadese Kustwacht. Hoewel, vandaag is hij een flink aangepast. Op de neus is een twee meter lang meetinstrument bevestigd, waar er maar twee in de wereld van bestaan, allebei in Canada. John Iacozza van de Universiteit van Manitoba in Winnipeg gebruikt het om de ijsdikte en de ijsruwheid te meten vanuit de helikopter te meten.

Ik vraag helikopterpiloot Serge Arseneau of het niet lastiger vliegen is met zo’n fallus op de neus van je helikopter. “Nauwelijks”, zegt hij. “Maar het heeft de wetenschappers wel vijftigduizend euro gekost om aan te tonen dat het instrument aan alle vliegwaardigheids- en veiligheidseisen voldoet.”

De piloot neemt John en mij mee voor een van Johns experimenten. Voor het eerst sinds we met het vliegtuig vanuit Inuvik naar de Amundsen vlogen, nu dertien dagen geleden, zie ik het ijs in vogelvlucht. We zien alle details die verloren gaan in satellietbeelden. Kleine meertjes; lange, smalle geulen; flinterdun ijs; ijseilandjes in open water; schotsen die over elkaar geschoven zijn. Af en toe lijkt het alsof er een gigantisch kristallen glas boven het poolwater in duizend stukken is gespat.

De ijsschots waarin we twaalf dagen lagen geparkeerd, was de grootste in de wijde omtrek. Alles wat ze nu zien, is kleiner. Daarom wilden sommige wetenschappers zo graag in het ijs blijven zitten. Zolang het maar veilig is, doet de kapitein wat de meerderheid van de wetenschappers wil. Maar ook hij had zin om te gaan varen. Zondag zei hij aan het diner: “Het is mijn natuur om te varen, niet om stil te liggen.”

Aan de hand van satellietbeelden heeft John een denkbeeldige lijn in een grote ijsschots gedefinieerd. Over die kilometers lange lijn moeten we heen vliegen. Maar er is een probleem. Het instrument werkt alleen goed als we niet meer dan tien meter boven het ijs vliegen. Liefst op vier meter hoogte. De helikopterpiloot houdt voor de veiligheid echter liefst tien meter aan. Dat is op het randje van wat het instrument nog pikt. Af en toe vraagt John de piloot nog lager te gaan vliegen. Riskant, want de ijsruggen die uit het ijs steken, zijn soms een paar meter hoog.

Later op de dag vraag ik John naar de metingen. “Ik kan ze weggooien”, zegt hij. “We vlogen te hoog. Ik weet niet wat ik moet doen om de piloot zover te krijgen dat hij lager durft te vliegen.” Ik suggereer om dan maar zelf zijn vliegbrevet te gaan halen.

Nadat we die lijn gevlogen hebben, wil John een sneeuwmonster nemen. We landen op een vlak stuk ijs, en John en ik stappen uit de helikopter. Nog geen tien meter van het toestel, wijst John naar beneden. “De voetstappen van een ijsbeer”, zegt hij. Geen ander poolbeest laat zulke grote voetafdrukken achter. We kijken goed om ons heen, maar zien niets. John doet enkele schepjes sneeuw in een zakje en bergt het in een koelbox op. Opnieuw in de lucht, zien we meerdere ijsbeersporen in de sneeuw beneden ons. Maar in de verste verte geen beer.



Na ruim een uur vliegen, duikt het schip weer in ons blikveld op. We naderen het schip van de achterkant en Serge zet het toestel weer veilig neer op het helikopterdek van het varende schip. De Amundsen zet koers naar Cape Parry, de punt van een schiereilandje van het Canadese vasteland. In de jaren vijftig installeerden de Amerikanen hier een radarpost, die in de gaten moest houden of de Russen geen raketaanval over de Noordpool heen uitvoerden. Hetzelfde deden de Amerikanen op veel meer plaatsen in het arctische gebied. De Canadezen stemden stilzwijgend toe. Ze kregen er gratis geautomatiseerde weerstations voor terug.

Onderweg naar Cape Parry stoppen we meerdere malen voor het nemen van monsters van zowel het water als het ijs. Rond half zeven in de avond zetten we een groepje onderzoekers op een grote ijsschots af voor nieuwe ijskernboringen. Een paar uur later pikken we ze weer op.

Voor de nacht parkeert de kapitein de Amundsen in een gigantische drijvende ijsschots. Na een dagje varen ben ik wel weer toe aan ijs.