Boeken

Tuesday, May 27, 2008

Bestaan lentekriebels?

Dit artikel is gepubliceerd in dagblad Trouw, 26 mei 2008

Wat de eerste lentezon niet allemaal kan teweegbrengen: kriebels in je buik, rusteloosheid, vrolijkheid, romantische gevoelens, lustgevoelens…nou ja, vooral een algehele energiestoot. En natuurlijk rokjesdag, bloesjesdag, bermudadag, of hoe de dag waarop de eerste naakte lichaamsdelen op straat zich aan de lentezon blootstellen, ook bestempeld wordt.

Wat is het toch dat de lente met ons lichaam doet?

Engelsen en Amerikanen spreken trouwens over ‘spring fever’ – lentekoorts – wat nog veel heftiger klinkt dan de het bescheiden ‘lentekriebels’. “Koorts is een woord dat in dit verband wel erg ver gaat”, zegt hoogleraar psychofysiologie Gerard Kerkhof van de Universiteit van Amsterdam, gespecialiseerd in het menselijke bioritme. “Echte harde gegevens over lentekriebels ken ik niet, en zijn volgens mij ook moeilijk te verkrijgen”, zegt hij. “Maar een voor de hand liggende verklaring ligt in de rol die licht speelt in het menselijk functioneren. Daar hebben we wel veel wetenschappelijke gegevens van.”

Licht heeft twee belangrijke effecten, legt Kerkhof uit. “Allereerst heeft het een rechtstreeks effect op onze stemming. Veel onderzoek – wereldwijd – laat zien dat onze stemming seizoensschommelingen vertoont. In de winter een dal; in de zomer een piek. In Nederland is de lichtintensiteit ’s winters maar eentiende van die in de zomer. En de lengte van de periode waarin het licht is, is ’s winters maar de helft van ’s zomers. Er is een subgroep die echt last heeft van winterdepressie. Maar ook gezonde mensen vertonen seizoensschommelingen in hun stemming.”

Naast het directe effect van licht op onze stemming, heeft licht nog een tweede belangrijke effect. Kerkhof: “De afwisseling tussen licht en donker zet onze ingebouwde biologische klok gelijk met de omgeving. Deze klok volgt niet exact de periode van een etmaal, maar zijn periode is iets langer. Om toch in de pas te lopen met de omgeving, zet de licht-donker-overgang de biologische klok gelijk. Pas in de afgelopen jaren hebben wetenschappers gevonden dat het netvlies speciale cellen heeft die alleen reageren op trage veranderingen in de lichtcondities. Deze cellen geven een signaal door aan de biologische klok.”

De herfst en de lente zijn in dit verhaal de overgangsseizoenen. In de lente klimt onze stemming dus uit het winterdal, langzaam naar de zomerpiek. Wanneer in de lente de dagen langer beginnen te worden en de lichtintensiteit toeneemt, worden we grosso modo alerter en beter gemutst. Onderzoek onder vijfhonderd Amerikanen en Canadezen liet zien dat hoe langer mensen op een zonnige lentedag buiten zijn, hoe beter hun stemming. De optimale temperatuur schijnt 22 graden Celsius te zijn – kamertemperatuur zeg maar. Op warme zomerdagen, wanneer het kwik tot boven kamertemperatuur stijgt, neemt de stemming juist weer wat af.

Lentekriebels kenmerken zich door een combinatie van snelle, onvoorspelbare schommelingen in onze stemming, en een gevoel van een energiestoot. En waarschijnlijk juist omdat het contrast met het wat bedrukte wintergevoel zo groot is, vallen die eerste lentekriebels ons zo op.

Kun je leven met één hersenhelft?

Dit artikel is gepubliceerd in dagblad Trouw, 19 mei 2008

In het boek Half a brain is enough beschrijft de arts Antonio Battro het geval van het jongetje Nico. Nico had heftige epileptische aanvallen in de rechter hersenhelft. Zo heftig, dat er voor zijn overleving niets anders op zat dan een ingrijpende hersenoperatie. Anders zou ook de rest van zijn hersenen beschadigd raken.

Nico was bij de operatie drie jaar en zeven maanden oud. Eerst werd zijn volledige slaapkwab weggehaald. Wat er van zijn rechterhersenhelft nog overbleef, werd losgesneden van de linker hersenhelft en van de hersenstam. Dit deel werd niet verwijderd, maar functioneerde niet meer. Als volwassene zal hij het moeten doen met de helft van de normale 1400 gram hersenen.

Na de operatie kon Nico in eerste instantie niet lopen. Maar vijf jaar later rent en speelt hij vrij normaal, alleen een beetje trekkebenend. Wel beweegt zijn linkerarm moeilijk, en ziet hij niks in de linkerhelft van zijn gezichtsveld. Met die relatief kleine handicaps kan hij echter goed omgaan. Maar dan het opmerkelijke. Nico’s cognitieve, sociale en emotionele vermogens verschillen niet wezenlijk van die van zijn leeftijdgenoten. Zijn talige vermogens – typisch een vermogen van de linker hersenhelft – liggen zelfs ruim boven het gemiddelde.

De crux zit in het aanpassingsvermogen van Nico’s overgebleven hersenhelft. Hoe dat precies werkt, is nog onbekend. Specifieke training is wel essentieel. Vermogens die typisch worden geassocieerd met de weggehaalde rechter hersenhelft – onder andere wiskunde, beeldende kunst, muziek – zijn overgenomen door de overgebleven linker hersenhelft. En hoewel Nico voor die vaardigheden geen speciale aanleg heeft, is hij er ook niet slechter in dan de gemiddelde leeftijdgenoot. Nico had het geluk dat hij op zo’n jonge leeftijd werd geopereerd. Dat beperkte zijn functieverlies nog enigszins.

Wereldwijd zijn er ongeveer honderd patiënten waarbij vanwege heftige epilepsie een hersenhelft wordt verwijderd. Ook de Duitser Philipp Dörr leed zo zwaar aan epilepsie dat artsen geen andere oplossing zagen dan het verwijderen van de rechterhelft van zijn grote hersenen. Dörr was bij de operatie al elf jaar. Net na de operatie waren alle functies die vroeger door de rechter hersenhelft werden gedaan verdwenen. Drie jaar revalideerde Dörr na de operatie in het ziekenhuis, een veel langere revalidatieperiode dan bij Nico. Maar ook bij de Duitser bleek de flexibiliteit van het brein verrassend groot.

Hoewel Dörr veel herinneringen mist uit de jaren vóór de operatie, bleken zijn intellectuele vaardigheden nauwelijks onder de verwijdering van de rechter hersenhelft te hebben geleden. Zijn IQ is normaal. Praten en schrijven kan hij nog steeds. Hij schaakt en leest romans. Alleen als zijn brein veel taken tegelijk moet verwerken, heeft hij daar duidelijk moeite mee.

Ja, je kunt dus leven met één hersenhelft. Wat trouwens niet betekent dat er geen functies verloren gaan, of dat we, zoals een hardnekkige mythe beweert maar tien procent (of zelfs maar de helft) van onze hersenen zouden gebruiken. Het betekent wel dat de flexibiliteit van onze hersenen groter is dan we lang hebben gedacht.

Sunday, May 11, 2008

IJsafscheid (18 - Slot)


Poolblog – Donderdag 8 mei http://www.volkskrantblog.nl/blog/57852

Twee weken op de Amundsen-ijsbreker zitten erop. Vandaag moet ik van boord. Het schip blijft een dag of vier liggen in het landvaste ijs nabij Cape Parry, op het Canadese vasteland aan de Amundsen Golf. Voor het eerst in twee weken zien we land. Ik weet niet precies wat het is, maar op het moment dat ik land zag, ging er onherroepelijk iets verloren. IJseenzaamheid, ijsgevaar, ijsstilte, ijsillusies. IJs dat aan land vastzit, is toch een beetje nep, als je net aan zeeijs bent gewend.

IJseenzaamheid, maar dan gedeeld met veertig onderzoekers. Een miniatuurmaatschappij.

Land doet aan thuis denken, aan één en dezelfde vaste plek, aan stilstand. Een illusie die de moderne mens graag in stand houdt. Het ijs is elke seconde anders. Mijn thuis was veertien dagen lang een schip dat meedreef op een ijsschots, die elk moment uit elkaar kon breken. Een schip dat de laatste twee dagen ijsschotsen doorkliefde.

Onze ijsschots zal binnen een paar weken uit elkaar vallen. Er zit nog meetapparatuur in vast. Buisjes die koolstofdioxide uit het ijs verzamelen. Wachtend op een onderzoeker die zo vriendelijk is om nog eens langs te komen en meetapparatuur op de buisjes aan te sluiten. Wachten op Godot.

En er drijft een GPS met onze ijsschots mee, die voortdurend uitzendt waar het puzzelstuk uithangt. Alsof je de ijsschots oormerkt. Ik zou graag willen volgen waar hij heen drijft, wanneer hij uit elkaar valt, in hoeveel stukjes, en waar op de zeebodem het oormerk uiteindelijk beland (Wat zullen toekomstige archeologen wel niet denken?). Allemaal nutteloze informatie, maar toch geruststellend. Ik hou van nutteloze informatie. Het kan me niet nutteloos genoeg zijn.

Wanneer ik in de ochtend mijn spullen inpak, zwermen groepjes onderzoekers alweer uit over het ijs. Hier worden ijskernen geboord, daar worden sneeuwmonsters genomen en weer ergens anders brengt iemand een pomp in het ijs aan om zeewater omhoog te pompen en te analyseren. En op het bovendek – het apeneiland: een eilandje vol met aan alle kanten uitstekende instrumenten – wordt elke seconde de wind gemeten, het wolkendek, de luchtvochtigheid, de stroom van koolstofdioxide, de neerslaghoeveelheid. Harde schijven vol met enen en nullen.

Ik moet denken aan de verzuchting van professor Nummedal in de roman ‘Nooit meer slapen’ van W.F. Hermans: “Wat is wetenschap? Wetenschap is de titanische poging van het menselijk intellect zich uit zijn kosmische isolement te verlossen door te begrijpen!”

Afscheid nemen doet pijn. Stuntelige omhelzingen. Verkeerd gekozen woorden. Stiltes bij gebrek aan beter.

De hamvraag (17)



Poolblog – Woensdag 7 mei http://www.volkskrantblog.nl/blog/57852

IJsplaten kraken en breken onder de romp van het schip. Breuklijnen snijden tientallen meters door het ijs en splijten het uit elkaar. De helft van de dag zijn we bezig met ijsbreken en deint het schip op en neer. Eindelijk geweld.

Gisteren was het nog dun ijs. Het voelde nauwelijks als ijs breken. Vandaag varen we dichter bij de kust, en zijn de ijsplaten meer dan een meter dik. De Amundsen kan meer dan drie meter aan. Vaak vaart het schip een stuk terug om een aanloop te nemen en een nieuwe ijsschots in stukken te rammen.

We passeren vandaag meer dan twintig Groenlandse walvissen. Ik heb ze allemaal gemist. Steeds op het verkeerde moment op de verkeerde plek. Maar er rest nog wat tijd om ze wel te zien.

Dat voorlopige gemis wordt ruimschoots goed gemaakt doordat ik opnieuw mag meevliegen met de helikopter. Een vlucht van twee uur over het opbrekende zeeijs naar het vasteland aan de Franklin Bay en terug. Het dikkere ijs is spierwit. Het jongere ijs is donkerder. Het hele dunne ijs is bruin gekleurd door de zeeijsalgen, die gretig gebruik maken van het licht dat het ijs doorlaat.



Als ik dit schrijf, zit mijn laatste volle dag op de Amundsen-ijsbreker er voor driekwart op. Als het weer het toestaat, vlieg ik morgen eerst terug naar Inuvik, en een dag later via Edmonton, Calgary en Londen naar Amsterdam.

De Circumpolar Flaw Lead Study (CFL) met de Amundsen begon op 15 oktober 2007 en loopt nog door tot 1 augustus 2008. Daarna hebben de wetenschappers nog twee jaar nodig om alle verzamelde gegevens te analyseren, wetenschappelijke artikelen te schrijven en de CFL-resultaten samen te vatten.

Voor gedetailleerde wetenschappelijke conclusies is het dus nog te vroeg. Wel valt er al wat te zeggen van de ijs- en sneeuwobservaties in de Amundsen Golf. Tijdens de wetenschappelijke vergadering van gisteravond vatte John Iacozza van de Universiteit van Manitoba in Winnipeg er een aantal samen.

“Het opbreken van het zeeijs in de Amundsen Golf begint ongeveer een maand eerder dan gebruikelijk is. Dat is veel sneller dan we aan het begin van de CFL-studie hadden gedacht. Dit jaar is de oostenwind dominant, en niet de noordenwind. Die oostenwinden duwen het ijs van de Amundsen Golf nu snel naar de Beaufort Zee. Als deze winden aanhouden, kan een groot deel van het zeeijs over twee weken verdwenen zijn uit de Amundsen Golf.”

De kapitein maakte een verkenningsvlucht langs de westkust van Banks Island. Hij vertelt: “Zo ver we konden kijken, zagen we open water. Pas ver uit de kust ligt het pakijs op de Arctische Oceaan. Vanuit Sachs Harbour, aan de zuidkant van Banks Island, zou ik zo kunnen doorvaren langs de hele westkust van het eiland. Zeer ongebruikelijk.”

Professor Dave Barber is de leider van het CFL-project en de wetenschappelijk begeleider van een handvol wetenschappers aan boord. Toen ik aan boord ging, kwam hij net van de Amundsen af. Op de CFL-website schrijft hij: “Er is een systematische trend richting later bevriezen, vroeger smelten, een kleiner oppervlak aan meerjarig ijs en dunner wordend ijs.” Volgens hem zijn de veranderingen niet meer toe te schrijven aan een gewone, natuurlijke variabiliteit.

En dan de hamvraag: Is het de klimaatverandering?

Alle wetenschappers die ik aan boord spreek, zijn voorzichtig met hun conclusies. Op grond van wat je in het hier en nu ziet, kun je die conclusie nooit trekken. Je moet harde data analyseren van zo’n drie decennia. Je moet alle puzzelstukjes – wetenschappelijke observaties van het zeeijs, van de atmosfeer, van de sneeuw, van de oceaan, van de poolflora en -fauna, en ook de observaties van de Inuit – bij elkaar voegen. Een hels karwei. En je moet de klimaat- en zeeijsmodellen voor het poolgebied zoveel mogelijk voeden met experimentele informatie. Pas als je dat doet, ja, dan is het waarschijnlijk dat de smeltende pool een gevolg is van klimaatverandering.

Waarschijnlijk…

Als wetenschappers zeggen dat ze nog niet alles weten, vertalen sommige burgers of klimaatsceptici dat als dat ze niets weten. Onzin. Onzekere wetenschap is heel iets anders dan slecht onderbouwde wetenschap. Wetenschap is een proces dat het aantoonbaar onware scheidt van het mogelijk ware. Sommige wetenschappelijke uitspraken zijn heel onzeker, sommige bijna zeker, maar geen enkele is helemaal zeker.

We moeten leren leven met wetenschappelijke onzekerheid, zoals dat in het gewone leven ook het geval is.

Wetenschappelijke kennis zit in de wetenschappelijke gemeenschap. Als meer dan negentig procent van de wetenschappers het ergens over eens is, dan is dat de wetenschappelijke kennis van het moment. Dit is geen garantie dat ze gelijk hebben, maar het is wel de best mogelijke kennis van dit moment. En gaandeweg moet je die kennis durven corrigeren als nieuwe feiten daarom vragen.

Het verschil is dat de wetenschap een oneindig geduld heeft, maar de maatschappij niet.


video

video

IJsbreken (16)



Poolblog – Dinsdag 6 mei http://www.volkskrantblog.nl/blog/57852

Om half zeven wordt door de intercom omgeroepen dat we vertrekken. Een half uur eerder dan gepland. Ik stond op het punt een douche te nemen, maar in plaats daarvan kleed ik me snel aan en beklim de trappen naar het bovendek. Ik ben het enige niet-bemanningslid dat net op tijd is opgestaan om het schip te zien vertrekken. De zon schijnt en er is geen wolkje te zien. Donker wordt het in de Amundsen Golf al dagen niet meer.

De Amundsen snijdt door de bevroren vaargeul die hij zelf twaalf dagen geleden heeft achtergelaten. Het ijs splijt met gemak. Lawaai maakt het ijsbreken nauwelijks. We stoppen even om een paar Duitse wetenschappers de kans te geven enkele door het schip gebroken ijsstukken te verzamelen. In een kooi worden de onderzoekers van het voordek naar beneden getakeld. Daar verzamelen ze grote en kleine stukken ijs.

Binnen tien minuten zijn we bij een groot stuk open water. Om zo min mogelijk brandstof te verstoken, zoekt de kapitein de breuklijnen in het ijs op om door te varen. Dat is zelden de kortste weg van A naar B. De helikopter heeft net van tevoren nog een verkenningsvlucht gemaakt samen met de kapitein.

Een uurtje later mag ik zelf met de helikopter mee, een Duitse BO 105, een beetje aangepast voor de Canadese Kustwacht. Hoewel, vandaag is hij een flink aangepast. Op de neus is een twee meter lang meetinstrument bevestigd, waar er maar twee in de wereld van bestaan, allebei in Canada. John Iacozza van de Universiteit van Manitoba in Winnipeg gebruikt het om de ijsdikte en de ijsruwheid te meten vanuit de helikopter te meten.

Ik vraag helikopterpiloot Serge Arseneau of het niet lastiger vliegen is met zo’n fallus op de neus van je helikopter. “Nauwelijks”, zegt hij. “Maar het heeft de wetenschappers wel vijftigduizend euro gekost om aan te tonen dat het instrument aan alle vliegwaardigheids- en veiligheidseisen voldoet.”

De piloot neemt John en mij mee voor een van Johns experimenten. Voor het eerst sinds we met het vliegtuig vanuit Inuvik naar de Amundsen vlogen, nu dertien dagen geleden, zie ik het ijs in vogelvlucht. We zien alle details die verloren gaan in satellietbeelden. Kleine meertjes; lange, smalle geulen; flinterdun ijs; ijseilandjes in open water; schotsen die over elkaar geschoven zijn. Af en toe lijkt het alsof er een gigantisch kristallen glas boven het poolwater in duizend stukken is gespat.

De ijsschots waarin we twaalf dagen lagen geparkeerd, was de grootste in de wijde omtrek. Alles wat ze nu zien, is kleiner. Daarom wilden sommige wetenschappers zo graag in het ijs blijven zitten. Zolang het maar veilig is, doet de kapitein wat de meerderheid van de wetenschappers wil. Maar ook hij had zin om te gaan varen. Zondag zei hij aan het diner: “Het is mijn natuur om te varen, niet om stil te liggen.”

Aan de hand van satellietbeelden heeft John een denkbeeldige lijn in een grote ijsschots gedefinieerd. Over die kilometers lange lijn moeten we heen vliegen. Maar er is een probleem. Het instrument werkt alleen goed als we niet meer dan tien meter boven het ijs vliegen. Liefst op vier meter hoogte. De helikopterpiloot houdt voor de veiligheid echter liefst tien meter aan. Dat is op het randje van wat het instrument nog pikt. Af en toe vraagt John de piloot nog lager te gaan vliegen. Riskant, want de ijsruggen die uit het ijs steken, zijn soms een paar meter hoog.

Later op de dag vraag ik John naar de metingen. “Ik kan ze weggooien”, zegt hij. “We vlogen te hoog. Ik weet niet wat ik moet doen om de piloot zover te krijgen dat hij lager durft te vliegen.” Ik suggereer om dan maar zelf zijn vliegbrevet te gaan halen.

Nadat we die lijn gevlogen hebben, wil John een sneeuwmonster nemen. We landen op een vlak stuk ijs, en John en ik stappen uit de helikopter. Nog geen tien meter van het toestel, wijst John naar beneden. “De voetstappen van een ijsbeer”, zegt hij. Geen ander poolbeest laat zulke grote voetafdrukken achter. We kijken goed om ons heen, maar zien niets. John doet enkele schepjes sneeuw in een zakje en bergt het in een koelbox op. Opnieuw in de lucht, zien we meerdere ijsbeersporen in de sneeuw beneden ons. Maar in de verste verte geen beer.



Na ruim een uur vliegen, duikt het schip weer in ons blikveld op. We naderen het schip van de achterkant en Serge zet het toestel weer veilig neer op het helikopterdek van het varende schip. De Amundsen zet koers naar Cape Parry, de punt van een schiereilandje van het Canadese vasteland. In de jaren vijftig installeerden de Amerikanen hier een radarpost, die in de gaten moest houden of de Russen geen raketaanval over de Noordpool heen uitvoerden. Hetzelfde deden de Amerikanen op veel meer plaatsen in het arctische gebied. De Canadezen stemden stilzwijgend toe. Ze kregen er gratis geautomatiseerde weerstations voor terug.

Onderweg naar Cape Parry stoppen we meerdere malen voor het nemen van monsters van zowel het water als het ijs. Rond half zeven in de avond zetten we een groepje onderzoekers op een grote ijsschots af voor nieuwe ijskernboringen. Een paar uur later pikken we ze weer op.

Voor de nacht parkeert de kapitein de Amundsen in een gigantische drijvende ijsschots. Na een dagje varen ben ik wel weer toe aan ijs.


video


video

IJsruggen (15)



Poolblog – Maandag 5 mei http://www.volkskrantblog.nl/blog/57852

Vergeet het beeld van de poolkap als een vlakke, eenvormige, saaie ijsplaat. Het ijs is een slapend, verleidelijk en onvoorspelbaar monster – lees de verslagen van de 19e eeuwse ontdekkingsreizigers. Vandaag gingen we met de sneeuwscooter wat verder van het schip vandaan dan de afgelopen week. We parkeerden de sneeuwscooter in eerste instantie op een vlak stuk ijs, ter grootte van twee voetbalvelden.

Zelfs op dit ogenschijnlijk vlakke stuk ijs, zie ik per meter verschillen. Hier is de sneeuw wat dikker, daar wat dunner; hier is het wat witter, daar wat donkerder; hier heeft de wind kleine golfjes in de sneeuw geblazen, daar wat grotere golven. Ze zien eruit als kleine zandduinen.

De onderzoekers doen hun experimenten. Jens Ehn meet de ijsreflectie van het zonlicht. Iets verderop boort Natalie Asselin een gat in het ijs. Véronique Lago laat vervolgens aan een zestig meter lang touw een meetinstrument in het zeewater zakken. Ze meet hoe de temperatuur, de druk en het zoutgehalte in de eerste zestig meter zeewater veranderen.

Ik kijk ondertussen om me heen. Prachtige ijsruggen – een soort miniatuur bergketens – rijzen enkele tientallen meters van ons vandaan uit het ijs op. Ik loop er heen om foto’s te nemen. Het terrein wordt steeds ruwer. Ik zak soms tot mijn knieën in de sneeuw. Als ik er bijna ben, wordt ik teruggefloten. Zo ver mag ik niet alleen het ijs op. Ik heb geen geweer bij me (en kan trouwens ook niet schieten).

Zodra de experimenten erop zitten, gaan we er met de sneeuwscooter op af. Grote hoekige ijsblokken steken omhoog. Van boven wit, maar naar beneden toe steeds blauwer. Sommige ijsblokken steken zo ver uit, dat zich kleine ijsgrotten hebben gevormd. Ik ga op mijn buik liggen om naar binnen te kijken. Tegen een volledig blauwe achtergrond druppelt water van tientallen kleine ijspegels af.




Er staat een heerlijk zonnetje, en het is maar –8 graden. Afstudeerstudente Natalie Asselin legt zich op een omhoog geduwde ijsschots en gaat zonnebaden. We proberen sneeuwballen te gooien, maar hier ligt geen sneeuwballensneeuw. De sneeuwballen vallen hopeloos in de lucht uit elkaar.



Een heel eind verderop zie ik nog de toren van geboorde ijskernen. Meesterboorder Benoit Philipe heeft de toren twee dagen geleden gebouwd. Op één dag boorde hij het recordaantal van 109 ijskernen. En hij is al dagenlang aan het boren. Geen wonder dat de noordpool ijs verliest, was al snel de grap. Van de stukken die hij niet gebruikte, bouwde hij de ijstoren.

Aan de sneeuw en het ijs voel ik dat het echt lente begint te worden. De sneeuw wordt wat plakkeriger, de bovenste ijslaag wat zachter. Ik neem een stuk van een eerder geboorde ijskern en zuig eraan. Het smaakt zout. Dit is jong ijs. Als ik naar de ijsstructuur kijk, zie ik hier en daar dikke druppeltjes zitten, brine geheten. Het zijn druppeltjes met een heel hoog zoutgehalte. Wanneer zeewater bevriest, wordt het zout uit de ijskristallen gedrukt. Ze raken verstrikt in holtes tussen de ijskristallen. Brine blijft vloeibaar, omdat er veel lagere temperaturen nodig zijn om het te bevriezen.

Hoe langer het ijs bevroren blijft, hoe groter de kans dat de brine uit het ijs weet te ontsnappen, holtes in het ijs achterlaat, en zelf in het zeewater belandt. Daar speelt het een grote rol in de oceaancirculatie. Het verhoogt het zoutgehalte van het zeewater, dat daardoor zwaarder wordt. Het gaat zinken en kan zo grote hoeveelheden water over honderden kilometers verplaatsen.



Als ik tegen Jens Ehn zeg dat ik het zeeijs tot aan de voorbereiding van mijn Amundsen-trip zag als een vlakke, bewegende ijspannenkoek, die soms groter en soms kleiner wordt, zegt hij: “Zo zien de modelleerders het nog steeds.” Maar goed, zij moeten wel. Modelleren is vereenvoudigen. De kunst is alleen om het zeeijs zo uit te kleden dat je het aan de ene kant wiskundig kunt oplossen, maar dat het resultaat nog steeds op het echte zeeijs lijkt.

Sommige studenten op het schip vertellen me dat ze geen academische carrière willen maken, omdat ze anders achter het bureau belanden, onderzoeksvoorstellen moeten schrijven en nauwelijks meer het ijs op kunnen. Het ijs op – dat willen ze.

Sinds ik op 24 april aan boord kwam, hebben we 166,680 kilometer afgelegd. Omsingeld door een en dezelfde ijsschots, en meegedreven door de wind.

Ik durf het bijna niet meer te schrijven, maar voor morgenochtend 07.00 uur staat ons zoveelste vertrek uit het ijs gepland...

IJskristallen in de atmosfeer (14)



Poolblog – Zondag 4 mei
http://www.volkskrantblog.nl/blog/57852

Het ijs krijgt lentekriebels. Het trekt meer en meer open. De eerste vogels hebben zich de afgelopen drie dagen rond het schip gemeld. De zwarte zeekoet had de primeur, gevolgd door de grote burgemeester en de sneeuwgors. Aan de onderkant van het zeeijs beginnen de zeealgen tot bloei te komen.

Vanochtend even naar het meten van CO2 in het zeewater gekeken. Het gehalte koolstofdioxide van de bovenste laag zeewater is al iets gedaald sinds ik tien dagen geleden aan boord kwam. Het teken dat ijsalgen het beginnen op te nemen. Over een paar weken zal ook het fytoplankton een groeispurt beleven en daalt het CO2-gehalte nog iets verder. In de herfst en de winter gaat het vervolgens weer iets omhoog.

Een ander frappant dierennieuwtje – in ieder geval voor mij – dat ik in een van de afgelopen dagen van verschillende wetenschappers hoorde, is dat van de ‘pizzly’. Op het nabij gelegen Victoria Island leven in de bergen nabij de Minto Inlet inmiddels dertien grizzlyberen. Dat is veel noordelijker dan hun gebruikelijke habitat. Daar is de ‘pizzly’ gesignaleerd: een geelbruin beertje dat een ijsbeer als moeder heeft en een grizzly als vader. De moeder brengt het als een gewoon ijsbeertje groot.

Omdat het weer de afgelopen dagen zo vaak roet in onze plannen heeft gegooid, is het tijd om het eens over de poolatmosfeer te hebben.

Atmosferische gegevens voor het noordpoolgebied zijn relatief beperkt vergeleken met de grootte van het gebied. Er is maar een beperkt aantal weerstations, die allemaal geautomatiseerd zijn, en er zijn nauwelijks radarbeelden beschikbaar. Ook satellietbeelden en satellietmetingen van het gebied zijn relatief beperkt.

Masterstudente Lauren Candlish van de Universiteit van Manitoba in Winnipeg (Canada) werkt aan een tweejarig project om te onderzoeken hoe goed de satellietgegevens van het arctisch gebied zijn, en hoe de interpretatie van de satellietdata verbeterd kan worden. Daarvoor verzamelt ze op de boot meetgegevens van de toestand van de atmosfeer boven de Amundsen.

“Ik laat elke paar dagen vanaf de boot een weerballon op, die uitgerust is met een GPS, en die de luchtdruk, de windsnelheid, de temperatuur en de luchtvochtigheid meet. Als er nauwelijks wind staat, maken we de ballon aan een touwtje vast, zodat we hem kunnen terughalen. Als er veel wind staat, laten we de ballon los. Verder staat op het bovenste dek een meetinstrument dat continu een verticaal profiel meet van temperatuur, vochtigheid en de dichtheid van waterdamp. We zenden pulsen van microgolfstraling omhoog, en meten wat er terugkomt.”



Deze metingen vergelijkt ze met die van de satellieten Cloudsat en Calipso. Beide werden tegelijk gelanceerd in april 2006. Ze volgen precies dezelfde baan rond de polen. Cloudsat komt vijftien seconden eerder over dan Calypso. Ze gebruiken andere meettechnieken zodat hun meetgegevens met elkaar vergeleken kunnen worden.

“Het grote verschil tussen het poolgebied en zuidelijkere gebieden”, zegt Lauren, “is dat de wolken hier vaak warmer zijn dan het land en het ijs en dat de lucht veel ijskristallen bevat. Voor de interpretatie van de satellietmetingen heb je daarom iets andere rekenmethoden nodig dan in de warmere gebieden. Je moet immers met andere atmosferische randvoorwaarden rekening houden.”

“Gewone meetinstrumenten zijn vaak ontworpen voor temperaturen tussen, laten we zeggen, –25 en +30. Maar onze instrumenten moeten nog veel lagere temperaturen dan –25 aankunnen. Dat dwingt ons de limieten van onze meettechnieken en meetinstrumenten op te zoeken.”

Poolvirus (13)

Poolblog – Zaterdag 3 mei
http://www.volkskrantblog.nl/blog/57852

Wanneer ik om zeven uur in de ochtend de deur naar het dek openklap, weet ik genoeg. Onze parkeerduur in het pakijs gaat met onbepaalde tijd verlengd worden. Er hangt mist over het ijs en het waait hard. Ik loop op het voordek onderzoeker Jens Ehn tegen het lijf. Hij maakt een dagelijks ochtendrondje langs zijn meetinstrumenten. Even checken of alles nog werkt.

Zijn meters hoge toren meet tienmaal per seconde de wind, en de hoeveelheid koolstofdioxide die door de lucht wordt getransporteerd. Touwen gillen heen en weer. Zijn toren zwiept. “Ik denk dat ik de metingen van vandaag kan weggooien”, zegt hij.

Op open water zou de wind en de mist geen enkel probleem zijn, maar varen tussen ijsschotsen, is andere koek. Daarvoor moet je goed kunnen zien welke ijsschotsen er op je afkomen. Door de beweging van het pakijs is er geen andere manier dan gewoon heel goed de ogen open houden.

Om half negen wordt er een extra wetenschappelijke vergadering belegd. Alle plannen van gisteren verdwijnen de prullenbak in. Geen gebroken ijsschotsen verzamelen die de Amundsen zou hebben gebroken; geen monsters van het open water nemen; geen skippybootexpeditie over water en ijs, om de overgang ertussen te onderzoeken.

Gelukkig hebben de CFL-onderzoekers een heel jaar voor hun studie, de langste studie ooit in het poolgebied. Ik heb helaas maar twee weken. Ga ik nog varen, of blijft het bij meedrijven met het pakijs?

Onderzoek op de pool vergt geduld, aanpassingsvermogen en veel improvisatiekunst. Wat dat betreft is er niets veranderd sinds de poolexpedities van de negentiende eeuw. Tijdens de ochtendvergadering worden snel nieuwe onderzoeksplannen gesmeed.

Ik spreek af met biologe Claire Evans, postdoconderzoeker van het Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ), waar ze onder leiding van Corina Brussaard in de afdeling biologische oceanografie werkt. Claire is net terug van drie maanden Antarctica en doet nu drie maanden Arctica – gevat door een bipolair onderzoekersvirus.

Maar na ruim een week op de Amundsen, moet ik zeggen dat ik haar benijd.

Voor haar Antarctica-onderzoek voer ze de laatste drie maanden mee met het Duitse onderzoeksschip ‘Polar Stern’. Na afloop daarvan had ze niet veel meer dan een week om zich naar de Amundsen te spoeden, waar ze tegelijk met mij aan boord kwam. Ze onderzoekt de rol van virussen in het polaire mariene ecosysteem.



“Onder aan de arctische voedselketen staan de ijsalgen en het fytoplankton – dat noemen we de primaire productie. Ze worden gegeten door iets grotere organismen. Uiteindelijk komt de voedselketen uit bij de grote zoogdieren: de zeehond, de ijsbeer, de walvissen en ook de mens. Het dode materiaal van de grote beesten zakt naar de bodem. Zo ontstaat een soort biologische pomp, die koolstof van de kleine naar de grote organismen transporteert en van de bovenste laag van de oceaan naar de bodem. De cruciale opgave is om dat proces te kwantificeren.”

“Het effect van virussen in dit verhaal, is dat ze cellen infecteren. Die cellen zijn dan niet meer beschikbaar om omhoog te gaan in het voedselweb. Daardoor verzamelt zich meer koolstof in de toplaag van de oceaan. En dat betekent weer dat de oceaan minder koolstofdioxide kan opnemen. Dat is de link met klimaatverandering.”

“Zelf bestudeer ik wat het gevolg is van virussen voor bacteriën, algen en fytoplankton. Virussen kunnen in potentie een kwart van de dagelijkse primaire productie doden, iets wat voorheen over het hoofd werd gezien. Ze kunnen dus een grote invloed hebben op de biochemie en de ecologie.”

Claire neemt monsters van zowel het oceaanwater als van het ijs. Die stuurt ze op naar het NIOZ op Texel. “En daar wacht me dan waarschijnlijk een jaar werken in het lab om alles te analyseren.”

Veel onderzoekers op de Amundsen hebben wel vaker wekenlang op een schip gewerkt, maar Claire is de eerste die ik ontmoet die zes maanden vrijwel aan een stuk doet. “Ja, daar moet je een bepaalde persoonlijkheid voor hebben”, zegt ze. “Meestal geniet ik er enorm van, maar er zijn momenten dat ik naar huis zou willen gaan. Je privacy is beperkt, dat is het moeilijkste. Op de Polar Stern deelde ik drie maanden een hut, en nu op de Amundsen weer drie maanden.”

“Het is een kwestie van je niet druk maken om de dingen die je mist, maar je concentreren op de prachtige dingen die je meemaakt. Ervaringen die de meeste mensen hun hele leven lang nooit meemaken. Op de Antarctica-expeditie kwamen op een gegeven moment drie walvissen zo dicht bij het schip dat je ze praktisch kon aanraken. De poolgebieden zijn subliem. Ik voel het als een enorm voorrecht hier mijn onderzoek te doen en inzicht te krijgen in een ecosysteem waar we nog heel weinig van weten.”

“Het is moeilijk om straks weer van boord te gaan. Je creëert een hechte band met de mensen op het schip. Een soort tweede familie. Als je dan van boord gaat, heb je opeens niemand meer om je heen. Dat voelt een beetje eenzaam. Het klinkt raar, maar als ik dan weer thuis kom, en voor het eerst in zes maanden zelf boodschappen moet doen, weet ik nauwelijks wat ik moet kopen.”

Gluurders (12)



Poolblog – Donderdag 1 mei http://www.volkskrantblog.nl/blog/57852

De thermometer op de brug geeft ­–8 aan als we om half tien voet op het ijs zetten. De wind maakt er –18 van. Vandaag heb ik voor het eerst arctic boots aan m’n voeten. Met dank aan technicus Joanne Delaronde, die gisteren op het ijs bezorg naar mijn bergschoenen keek, en vroeg of ik het daarin niet koud had. Ja dus. Ze heeft een maat-45 reservepaar voor me opgeduikeld, die ik voor de rest van mijn verblijf mag lenen. Joanne is al aan haar dertiende poolexpeditie bezig.

Alle onderzoekers die het ijs op gaan, dragen arctic boots. Experimenteren, graven of boren op één plek op het ijs betekent veel staan, weinig lopen, en dus nog sneller koude voeten. De kou sneed de afgelopen dagen in een mum van tijd door mijn bergschoenen en de drie paar sokken heen. Om die warmtegeleiding te frustreren, hebben de arctic boots een soort binnenzool met luchtholtes, die voor extra isolatie zorgen. En ze houden ook de sneeuw beter tegen. Ze zien er wel uit als zwarte zevenmijlslaarzen.

Ik voel me wel hoe langer hoe meer een Michelin-mannetje op het ijs.

We laden de meetinstrumenten in een grote krat. Een hijskraan takelt de krat van de boot op het ijs. De instrumenten gaan in de laadbak achter de sneeuwscooter, en zo stuiven we het besneeuwde ijs op. Vandaag gaan we eerst CO2-concentraties in het ijs meten.

Een stok met een vlag eraan wijst ons de weg. Daar heeft de Canadese technicus Keith Johnson drie dagen geleden vier buisjes met doorlaatbare wanden in het ijs gestopt. Op vier verschillende diepten. “We noemen ze peepers”, zegt Keith. Gluurders dus. Ze nemen langzaam de CO2 uit het ijs op tot de concentratie in de buisjes hetzelfde is als in het ijs. Hopelijk is dat vandaag al het geval.

Bij de vlag aangekomen, steken boven het ijs en de sneeuw dunne metalen pijpjes uit. Via die buisjes wordt het in de buisjes verzamelde gas afgetapt en direct geanalyseerd. De Belgische promovendus Nicolas-Xavier Geilfus van de Universiteit van Brussel leest de CO2-concentraties af en Keith noteert ze in een schriftje.

“Van de oceanen weten we vrij goed hoeveel CO2 ze opnemen”, vertelt Keith. “Maar de rol van het zeeijs in de CO2-uitwisseling is slecht bekend. Die proberen we te meten. In de winter, wanneer het echt koud is, werkt het ijs als een isolerende kap tussen de atmosfeer en het zeewater. Dan gaat er geen CO2 door het ijs heen. Maar in de lente, wanneer het warmer begint te worden, wordt ook het ijs warmer. Er ontstaan kanaaltjes, die voor CO2-transport tussen de atmosfeer en het zeewater kunnen zorgen.”

“Daarnaast willen we ook weten welke rol deze uitwisseling voor het ecologische systeem speelt. In de lente beleven de algen een groeispurt. Ze kunnen veel CO2 door het ijs opnemen.”

We laten de buisjes vastgevroren in het ijs achter. “Misschien dat we ze later nogmaals gaan gebruiken”, zegt Keith. “Als de Amundsen deze ijsschots gaat verlaten, wordt er een zender op de schots achtergelaten. Ook als we straks gaan varen, weten we nog steeds waar dit stuk ijs drijft. Per helikopter kunnen we dan naar dezelfde plek terugkeren, nieuwe metingen verrichten en de buisjes eventueel uit het ijs halen. Ook kunnen we de Amundsen nog een keer in dit stuk ijs vastvaren.”

Maar de kans is groter dat ze niet worden opgehaald en in het ijs blijven zitten. Tenminste, tot deze eenjarige ijsschots wegsmelt.

Als we klaar zijn met de CO2-metingen, rijden we met de sneeuwscooter naar de andere kant van de boot. De Finse promovendus Jens Ehn pakt zijn albedo-meter uit en gaat op meerdere plekken de lichtreflectie meten. Zeeijs met natte sneeuw erop reflecteert ruim zeventig procent van het invallende licht, zeeijs met droge sneeuw erop zelfs ruim tachtig procent. Hoe meer ijs gaat smelten, hoe minder licht wordt gereflecteerd en hoe meer wordt opgenomen. Daardoor gaat het ijs nog sneller smelten. Een zichzelf versterkend effect.



Na twee uur werken op het ijs, keren we terug naar de boot. Ik heb nog steeds geen koude voeten. Lang leve de arctic boots.

Maar zelfs de moderne, hightech arctic boots verliezen het volgens mijn eskimokamergenoot van de traditionele variant: de ‘kamik’ of eskimoschoenen. Eskimoschoenen hebben een drielagenzool, legt hij uit: de huid van een elk beneden, wol van de muskusos in het midden en een zware wolstof (duffle) boven. De rest van de schoen is opgetrokken uit kariboe-, muskusos- of zeehondenhuid. Voor een waterdichte schoen moet je zeehondenhuid nemen.

“De ‘kamik’ zijn zowel warmer als lichter dan de schoenen die jij vandaag hebt gedragen”, zegt mijn kamergenoot. Alle ervaren poolonderzoekers die ik spreek, zeggen trouwens hetzelfde.

Poolpolitiek (11)


Poolblog – Vrijdag 2 mei http://www.volkskrantblog.nl/blog/57852

Vaak hoor je het verhaal achter het verhaal aan de bar. Ook op de Amundsen. De bar is allereerst de plek waar het ijs tussen de wetenschappers en de bemanningsleden van de Amundsen wordt gebroken. Want dat zijn twee gescheiden werelden, niet in de laatste plaats doordat bijna alle bemanningsleden Frans als voertaal hebben, en lang niet iedereen Engels spreekt (of wil spreken).

“We zijn hier helemaal niet voor de wetenschap, als je het mij vraagt”, vertelde bemanningslid Benoit van de Canadian Coast Guard gisteravond aan de bar. “We zijn hier om de Canadese aanwezigheid in het poolgebied duidelijk maken. Decennialang gaf niemand iets om deze streek. Maar met het terugtrekken van het ijs lonkt er olie, gas en andere grondstoffen. Nu vliegen allerlei hoogwaardigheidsbekleders af en aan naar Inuitnederzettingen, terwijl ze er daarvoor nooit naar omkeken.”

Volgens de US Geological Survey herbergt de noordpoolzeebodem een kwart van de onontgonnen olie- en gasreserves op aarde. En dus claimen alle staten met land in het noordpoolgebied – Canada, Rusland, de VS, Denemarken en Noorwegen – delen van de zeebodem onder de noordpool. Het arctisch gebied is ineens van politiek belang geworden.

“Vorig jaar plantte een Russische onderzeeër een vlag op de bodem van de noordpool”, zegt Benoit. Symboolpolitiek, maar toch. “Eeuwenlang hebben de Europeanen naar de Noordwest Passage gezocht, een korte route van Noord-Europa naar Azië. Nu lijkt die commercieel aantrekkelijk te kunnen worden. Vorige zomer lag hij open en kon je er vrij makkelijk doorheen varen.”

Ik vraag hem wat er op dit moment zou gebeuren wanneer een niet-Canadees schip door de Noordwest Passage vaart. “Canada zou het als een inbreuk beschouwen,” zegt hij, “maar er zou niets gebeuren. Het punt is wel dat als er een ongeluk gebeurt, iedereen naar Canada zal kijken om iets te doen. Stel dat er een Exxon Valdez-achtige ramp zou plaatsvinden, dan zit Canada met de gevolgen.”

Als Benoit hoort dat ik uit Nederland kom, vraagt hij of ik The Nits ken. Tuurlijk. Maar dat hij ze kent? “Ik heb ze een keer of zes live gezien”, zegt hij. “Daniel, een vriend van mij van de Atomic-club in … nam de bandleden mee naar Tadoussac om naar de walvissen te gaan kijken. Daar hebben ze later hun nummer Whales of Tadoussac op gebaseerd.”

Vanmiddag heb ik de kapitein van de Amundsen, Stéphane Julien, gevraagd naar zijn ervaring op de Noordwest Passage en zijn mening over de commerciële haalbaarheid. Hij rouleert het kapiteinschap samen met Lise Marchand. Om en om hebben ze de Amundsen door de Noordwest Passage gevaren; de klassieke route door de Amundsen Golf. Daar ging een uitgebreide inspectie per helikopter aan vooraf, om inzicht te krijgen in het gedrag van het weer en het ijs.

Gebogen over de kaart van het arctisch gebied, vertelt hij: “Ik verwacht dat over een jaar of twee, drie de eerste tanker door de passage zal varen, maar dan de brede passage via McClure Strait. Daar kunnen ook grote schepen doorheen. Om te laten zien dat het kan. Langs de klassieke route kan dat alleen met kleinere schepen. Canada kan daar dan niets tegen doen, omdat het internationale wateren zijn. Maar na die eerste keer? Ja, de Noordwest Passage is veel korter dan de traditionele route via het Panamakanaal. Dat bespaart tijd en brandstof. Maar andere kosten gaan omhoog.”

“Ook met het terugtrekken van het ijs, ligt de passage nog steeds in poolgebied. Als er iets met je schip gebeurt, lig je in niemandsland. Dan verstook je binnen een paar dagen de brandstof die je dacht te besparen. Er zijn geen lichten, geen havens, geen hulp dichtbij en navigeren is er lastiger, zelfs in de brede passage via McClure Strait. De verzekeringspremie voor schepen die de Noordwest Passage willen varen zal hoog zijn, omdat de risico’s hoog zijn. Verder heb je geen andere havens onderweg die je kunt aandoen. Dat doen de schepen die via het Panamakanaal van Europa naar Azië varen wel, en dat maakt hun route rendabeler. Of de Noordwest Passage echt commercieel haalbaar wordt, is maar de vraag.”

Hij zegt ook: “Natuurlijk wil Canada zijn aanwezigheid laten zien. Tot voor kort was niemand in het poolgebied geïnteresseerd. Canada heeft met de wetenschappelijke CFL-studie veertig miljoen Canadese dollar [zo’n 27 miljoen euro] geïnvesteerd. Het grootste project binnen het Internationale Pooljaar 2007/2008.”

Wetenschap is mensenwerk, met dezelfde mensenstreken. Natuurlijk zijn veel wetenschappers volop geïnteresseerd in de poolstreek. Natuurlijk is het een fascinerend gebied. Maar iemand moet die wetenschap betalen, en dan spelen politieke argumenten altijd een rol.

De kapitein vertelt me ook dat we morgen, 3 mei, vanaf zeven uur in de ochtend gaan varen. Een dag propvol met experimenten: eerst met het ijs dat we gaan breken, daarna op de rand van het pakijs en het open water, en ten slotte in het open water. Morgenavond wordt de boot weer ergens in het ijs geparkeerd.

Voor 4 mei staat er een hockeywedstrijd op het ijs gepland, zonder schaatsen dan wel.

Een gat in het schip (10)




Poolblog – Woensdag 30 april http://www.volkskrantblog.nl/blog/57852

Planning van het onderzoek met de Amundsen is een chaotische bezigheid. Door de nukken van het weer en de grillen van het zeeijs kan het goed zijn dat het plan van nu over een uur alweer de prullenbak in moet. Aan het begin van de middag zou ik meevliegen met een helikopter om ijsdiktes te meten, maar het weer gooide roet in het eten. Het zicht was te slecht door de laag hangende bewolking.

Gisteren werd aangekondigd dat we op 1 mei het ijs zouden breken, en via enkele flaw leads naar de Prince of Wales Strait zouden varen om de boot daar ergens een nieuw thuis in het ijs te geven. Ik keek er al naar uit om ook eens met de Amundsen te varen, maar helaas. Het zeeijs is door de wind drastisch veranderd de afgelopen dag, en de kapitein zegt dat we de Prince of Wales Strait niet veilig kunnen binnenvaren.

Een van de komende dagen gaan we vertrekken, maar wanneer en waarheen weet nog niemand.

Niet alleen het weer en het zeeijs bemoeilijken de planning, ook willen de wetenschappers de Amundsen verschillende richtingen op trekken. Het wetenschappelijke onderzoek op de boot is onderverdeeld in acht teams. Sommige teams willen op de huidige plek in het ijs blijven zitten. Andere zoeken liever het landvast ijs op: ijs dat niet vrij op zee drijft, maar vastzit aan het vasteland of een eiland. En de biologen die walvissen, ijsberen en vogels bestuderen, willen juist het open water of de rand van het open water met het ijs opzoeken.

Gelukkig trekt de kapitein aan de touwtjes. Hij denkt als allereerste aan de veiligheid van iedereen aan boord. Elke dag overlegt hij met de teamleiders om een ruwe onderzoeksplanning op te stellen aan de hand van het weer, de weersverwachting, de satellietbeelden van het ijs en de verslagen van de verkenningsvluchten per helikopter. De combinatie bepaalt de koers van de Amundsen.

Niet alle wetenschappers aan boord moeten het ijs op voor hun experimenten. Sommige biologen hoeven de buik van het schip niet te verlaten. Daar ligt de moon pool. Waarom het ‘moon pool’ heet, schijnt niemand te weten. “Niet omdat hij zo romantisch is”, grapt Claire Evans, een Isle-of-Man-“no I am not English”-postdoc van het Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ). Inderdaad. Verre van. Zelfs kaarslicht zou er nog geen romantische ruimte van maken. Een kil, stalen hok staat vol met takels en kranen. De moon pool is in feite een gat in het schip waarin het zeewater vrij spel heeft. Aan de randen van het gat is het schip tot de tanden toe gewapend tegen lekken. En uiteraard kan er een deksel op het gat.

Door dit gat wordt dagelijks een tiental malen een rosette naar beneden gelaten: een soort krans van 24 flessen, elk van veertien liter. De Canadese Véronique Lago van het Institut National de Recherche Scientifique (Quebec) is verantwoordelijk voor de bediening van de rosette. Aan één enkele kabel zakken de flessen in zee. Sensoren op de rosette meten volcontinu de temperatuur, het zoutgehalte en de diepte. De meetdata gaan trouwens door dezelfde kabel naar boven.

“De flessen staan open als de rosette naar beneden zakt”, legt Véronique uit. Wetenschappers kunnen bij haar een verzoek voor een experiment indienen. “Ik heb een lijst van welke fles op welke diepte gesloten moet worden om een monster van het zeewater te nemen.” Met die monsters worden vooral algen en plankton gevangen en geanalyseerd. Komt de rosette op de gewenste diepte aan, dan hangt ze het gevaarte even stil, en doet ze de op afstand bestuurbare dop op de fles dicht. Veertien liter water minder in de zee.

Véronique laat de rosette in tien minuten tot op de zeebodem zakken, hier vijfhonderd meter diep. Op haar computerscherm zie ik hoe de watertemperatuur stijgt van -1,7 graden aan de top tot meer dan de nul graden beneden. En hoe dieper de rosette zakt, hoe zouter het water.

Ik vraag of het niet handig zou zijn een onderwatercamera op de rosette te monteren, maar technicus Steeve Gangé zegt dat je toch nauwelijks iets kunt zien door de duisternis. Zonlicht moet eerst door een laag sneeuw heen, dan door een dikke laag ijs, en dan blijft er voor het water nog maar een restje over. Toch nog genoeg voor algen, plankton en kreeftjes. Vanuit dit kleine grut leidt de arctische voedselketen verder naar vissen, walvissen, zeehonden, ijsberen en poolvossen. Zeeijs is de poolspin in dit voedselweb.

Als de rosette weer uit het water wordt getakeld en veilig op een platform wordt neergezet, tapt de Spaanse promovenda Eva Alou Font via een slangetje aan de onderkant van de fles het buit gemaakte zeewater af. Dat gaat meteen naar haar om de hoek gelegen analyselab voor een algenstudie. Zeeijs brengt de levende met de dode materie samen.

Eskimo-observaties - Deel 2 (9)




Poolblog – Dinsdag 29 april http://www.volkskrantblog.nl/blog/57852

Terwijl ik dit stukje in mijn boordhut zit te tikken, kijk ik af en toe naar de tv. Niet naar een van de vele satellietkanalen, maar naar wat de zes camera’s zien, die op het dek staan opgesteld. Wie lui is, kan op de Amundsen in bed blijven liggen en kijken wat buiten gebeurt. Een van de camera’s kijkt naar het oosten over het ijs uit. Als Roger, mijn kamergenoot, het beeld ziet, zegt hij: “Die donkere band helemaal aan het eind van het ijs, is het open water. Daar ligt de flaw lead.”

Ik loop even naar de brug om met een verrekijker naar het open water gaan kijken. Boven het open water hangen donkere wolken. Hoe meer open water, hoe groter de kans op wolkenvorming. Meestal donkere wolken. Alleen al door naar de lucht te kijken kun je een idee krijgen waar de open plekken in het zeeijs liggen.

Onze boordhut is eigenlijk de ziekenhuiskamer van het schip. Maar wegens ruimtegebrek wordt deze nu ook gebruikt. Nadeel is dat de ziekenhuiskamer kleiner is dan de andere kamers. Maar een voordeel is dat we twee comfortabele ziekenhuisbedden hebben, waartussen je een gordijn kunt dichttrekken, terwijl andere kamers stapelbedden hebben. Bijkomend voordeel is ook dat we een eigen douche hebben, en dat is in lang niet alle andere kamers het geval.

Als ik mijn kamergenoot vraag wat het vroeg opbreken van het ijs voor hem en zijn dorpsgenoten van Ulukhaktok/Holman betekent, zegt hij: “Dat we het niet meer kunnen gebruiken om te jagen en om ons over te verplaatsen. Dus gaan we meer naar het noorden.” Roger is van het type korte, to-the-point-antwoorden. Niet uit onwil, maar omdat hij het zo gewend is. Maar hij zegt er lachend achteraan: “Geef me een boot en ik roei naar huis”. Hij past zich wel aan. Dat neemt niet weg dat hij zich wel degelijk zorgen maakt over de globale effecten van de smeltende noordpool.

De eskimo’s observeren dunner, zachter en onvoorspelbaarder ijs, onvoorspelbaarder weer, ongebruikelijk gedrag van de dieren en veranderende sneeuwcondities. En dan gaat het om veranderingen die buiten de natuurlijke poolvariaties vallen en al twee tot drie decennia een trend vormen. Genoeg reden om met wetenschappelijke experimenten en modellen een vinger achter deze veranderingen te krijgen.

Eskimo-observaties kunnen een waardevolle aanvulling vormen op deze keiharde wetenschappelijke metingen. Natuurlijk moeten ze zoveel als mogelijk gecheckt worden, en dat gebeurt sinds een jaar of tien ook. John Iacozza, zeeijsonderzoeker van de Universiteit van Manitoba, vertelt me dat hij uit zijn metingen sinds 1995 de variabiliteit van het zeeijs heeft geanalyseerd. Hij heeft in getallen gevat wat de eskimo’s ook al waarnamen: “De belangrijkste conclusie is dat het zeeijs onvoorspelbaarder is geworden”, vertelt Iacozza. “Vroeger kon je vrij goed voorspellen wanneer het ijs begon op te breken, hoe uitgebreid het landvast-ijs was en hoe uitgebreid het los liggende zeeijs. Dat kan nu niet meer.”

Daarnaast geven de eskimo’s ook gedetailleerde, lokale informatie over de pooltoestand uit het verleden, toen er niet of nauwelijks wetenschappelijke metingen werden verricht. Ik vraag Roger naar zijn poolherinneringen van vroeger.

“Ik leerde op mijn veertiende van mijn vader hoe je een iglo moet bouwen”, vertelt hij. “Een eenpersoons iglo bouw ik in een uur of vijf. Samen met mijn vader maakte ik honderden kilometers lange tochten, jagend op ijsberen. Eerst met de slee, later met de sneeuwscooter. Van Holman naar Cambridge Bay in het uiterste zuidoosten op hetzelfde Victoria Island, en van daaruit via het bevroren McClintock Channel naar Resolute.”

Resolute is een van de meeste noordelijke eskimonederzetting, op het eilandje Cornwallis. Onderweg bouwden ze iglo’s om in te overnachten. Na de overnachting gaven ze de iglo terug aan de krachten van de sneeuw, het ijs, en aan die van ijsberen en poolvossen. “De sneeuw is geleidelijk aan droger en harder geworden”, vertelt mijn kamergenoot. “De afgelopen tien jaar kun je dat echt merken. De sneeuw valt sneller uit elkaar, waardoor je moeilijker een iglo kunt bouwen.”

Als ik hem vertel hoe ik me op het ijs voel, ondanks de kou, zegt hij een voor mij onverstaanbaar eskimowoord. Hij schrijft het voor me op: ‘quviannikumut’. Eskimo voor ‘je diep gelukkig voelen’.

Roger gaat regelmatig naar de claustrofobische fitnessruimte aan boord. “Ik moet bewegen.” En dat is iets wat aan boord, behalve het trappen op en af lopen, niet echt kan. Een ontspannen ommetje op het ijs zit er met alle veiligheidsmaatregelen en de kou ook niet in. Ter compensatie staan op een buitendek, in een kennelijk nutteloos hok, een loopband en twee fietsen tegen elkaar aan gedrukt. Nadeel van de ruimte: als je uitgezweet bent, moet je eerst de vrieskou in, om na een paar meter pas weer naar binnen te gaan. Maar de fitnessruimte wordt volop gebruikt om op de boot in conditie te blijven. “Hoeveel heb je gelopen”, vraag ik als hij later in de middag in onze kamer terugkeert van de loopband. “42 kilometer”, grapt hij.

Eskimo-observaties - Deel 1 (8)


Poolblog – Maandag 28 april http://www.volkskrantblog.nl/blog/57852

Ik deel mijn boordhut met Roger Memorana (47), de enige Inuit op de Amundsen. Hij spreekt zelf trouwens nog gewoon over eskimo (letterlijk: ‘eter van rauw vlees’). Maar anderen uit de lokale gemeenschappen beschouwen dat als een scheldwoord en willen liever Inuit worden genoemd. Zijn echte, (eskimo)achternaam is Bektukana, wat ‘storm’ betekent. Roger heeft negen zussen en twee broers. Hij is geboren en getogen in Ulukhaktok – eskimo voor: ‘plaats van werktuigen’.

De gemeenschap telt 550 mensen en groeit gestaag. De meeste atlassen geven nog de Canadese naam: ‘Holman’, maar er is een trend gaande om de eskimonamen weer te gebruiken. Eenmaal per jaar, vlak voor de winter aanbreekt, meert een containerschip aan in Ulukhaktok, dat spullen voor een heel jaar aflevert. Maar er vliegt ook driemaal per week een toestel naar Inuvik en terug.

Roger speelt een thuiswedstrijd op de boot. We liggen dichter bij zijn woonplaats dan bij Inuvik, en hij is al vaker aan boord van de Amundsen geweest. Zijn vader, negentig inmiddels en oorspronkelijk afkomstig uit Alaska, werkte ruim dertig jaar als wildlife monitor samen met Ian Sterling, de eminence grise van het Canadese onderzoek naar de grotere poolbeesten. Sterling bestudeert ijsberen al 37 jaar en zeehonden zelfs al 42 jaar. In de lokale krant die ik in Inuvik kocht, vertelt hij dat er grote stukken open water nabij Ulukhaktok liggen en dat hij in meer dan veertig jaar het zeeijs nog nooit in de huidige toestand heeft gezien.

Tot 1993 runde Roger een supermarkt in Ulukhaktok. Maar sinds vijftien jaar werkt hij net als zijn vader als wildlife monitor. Hij is iemand van de poolpraktijk. Zijn vader had dertig husky’s, die niet alleen de slee trokken wanneer ze op jacht gingen, maar ook een kei zijn in het ruiken van ijsberen en zeehonden. “Husky’s kunnen een ijsbeer of een zeehond op een afstand van vijf kilometer ruiken”, zegt hij.

Op de Amundsen gaat hij elke dag naar de brug om door de verrekijker naar poolleven te speuren. Afgelopen vrijdag zag hij ’s ochtends 15 zeehonden en ’s middags 23. Zaterdag telde hij er zelfs 43. Maar gisteren waren ze allemaal verdwenen. De wind was aangewakkerd, en de zeehonden hebben warmere oorden opgezocht. Vandaag waaide het zo hard dat de gevoelstemperatuur op -35 graden Celsius uitkwam. Ik heb op de brug met een verrekijker de rand van het ijs en het open water afgespeurd, maar er viel geen zeehond te bekennen. Mensen trouwens ook niet, want niemand waagde zich vandaag voor lange tijd op het ijs.

Twee jaar geleden voorzag Roger vijftien zeehonden uit vijftien verschillende groepen van een radiozender, om te kunnen volgen hoe ze zich in de Amundsen Golf verplaatsten. Groepen variëren tussen dertig en zestig zeehonden. Naast poolwachter is hij vooral ook het manusje van alles op de boot. Is een ijsboor krom uit de strijd gekomen; Roger zorgt dat het weer recht komt. Moet er gedragen of gegraven worden; Roger helpt mee. Iedereen kan zijn hulp inroepen.

Ik heb de financieringsaanvraag van de CFL-studie gelezen, en ik kan me niet aan de indruk ontrekken dat het belang van de studie voor de lokale bevolking nogal wordt overdreven. Alsof zij erdoor geholpen kunnen worden. Maar het neemt niet weg dat het van toegevoegde waarde kan zijn om de Inuit te betrekken bij onderzoek dat toch over hun gebied gaat. Zij zijn voor hun overleven altijd afhankelijk geweest van het zorgvuldig observeren van het zeeijs, de sneeuw, het weer, en van het gedrag van ijsberen, zeehonden en vogels. Zij kunnen dus ook veranderingen zien.

De Canadese Shari Gearheard is een klimaatonderzoekster van het National Snow and Ice Data Center (NSIDC). Ze werkt al meer dan tien jaar samen met Inuitgemeenschappen in de Canadese provincie Nunavut en bestudeert wat zij te vertellen hebben over klimaatverandering in hun gebied. Zij schrijft: “De Inuit pikken vele subtiele veranderingen en ingewikkelde verbanden op die wetenschappelijke instrumenten niet kunnen detecteren. Wetenschappers beginnen dat pas sinds kort te waarderen en te begrijpen.” In het Internationale Pooljaar 2007/2008 heeft deze Inuitkennis van het arctische gebied daarom een prominente plaats gekregen.

Ik vraag Roger naar welke faunaveranderingen hij zelf ziet. “De zeehonden hebben niet te lijden van de veranderingen in het poolijs”, zegt hij, “maar de ijsberen wel. Ze moeten noordelijker trekken, maar de onvoorspelbaarheid van het ijs maakt ook dat moeilijker. De toestand van de ijsberen is duidelijk verslechterd.”

Onvoorspelbaar zeeijs (7)



Poolblog – Zondagavond 26 april http://www.volkskrantblog.nl/blog/57852

Na het zondagse avondeten – zondagskleding, zondags tafellaken, grotere entrecote, voor het eerst wijn bij het eten en dus meer vrolijkheid – volgt de dagelijkse wetenschappelijke meeting. John Iacozza, zeeijsonderzoeker van de Universiteit van Manitoba doet verslag van zijn helikopterverkenning van vandaag. De helikopter is uitgerust met apparatuur om de dikte en de beweging van het ijs te meten. De wind uit het oosten trekt aan, en dus drijven we flink naar het westen. Zowel noordelijk als westelijk van ons ligt veel open water, en nieuw, dun ijs. Iacozza: “Dat is heel anders dan tien jaar geleden, en het verraste me zeer. Het is zeer ongebruikelijk om in april al zoveel open water te zien.”



Hij haalt er ook de satellietbeelden van 23, 8 en 2 uur geleden bij. Die kijken niet zo gedetailleerd als hij met zijn helikoptermetingen, maar ze laten wel een groter gebied zien. De noord-oost lopende flaw lead (breuklijn) in het ijs, die bijna aan Victoria Island raakt, heeft zich in de afgelopen 23 uur sterk uitgebreid met een extra boog naar het westen. De wind drijft het ijs de Amundsen Golf uit, richting de Beaufort Zee.

De kapitein laat via hoofdonderzoeker Michel Gosselin weten dat de laboratoria nu inmiddels netjes opgeruimd zijn – dat is geen belemmering meer om te gaan varen – maar het nieuwe obstakel is de ijsobservatie van vandaag. De helikopterverkenning, aangevuld met de kersverse satellietbeelden, laten zien dat het ijs sterk in beweging is. Te sterk om onze huidige, relatief veilige haven, te verlaten. “Het zeeijs is erg onvoorspelbaar”, zegt Gosselin. “Nog maar enkele jaren geleden was het veel voorspelbaarder. Pas als het ijs een van de komende dagen wat tot rust kan komen, zal de kapitein overwegen het schip in beweging te brengen.”

Windchill (6)



Poolblog – Zondag 27 april http://www.volkskrantblog.nl/blog/57852

Het woord ‘klimaatverandering’ valt opvallend weinig aan boord van de Amundsen. Zeker, het is de belangrijkste drijfveer van het poolonderzoek dat hier gebeurt, maar elke onderzoeker ploetert met zijn eigen kleine puzzelstukje op, onder of in het zeeijs. En dat puzzelstukje ligt er – klimaatverandering of niet. Pas door het in elkaar schuiven van de belangrijkste puzzelstukjes, daagt uiteindelijk een overkoepelend beeld van wat klimaatverandering betekent voor het poolijs.

Politici willen zekerheid, maar wetenschappers kunnen nooit meer leveren dan waarschijnlijkheid, variërend van onzeker tot bijna zeker, maar zelden helemaal zeker. Gedetailleerde metingen zijn cruciaal om de nukken en grillen van het zee-ijs te doorgronden. Hoe reageert het ijs als het een paar graden warmer wordt? Computermodellen van het ijs, van de atmosfeer, of van wat dan ook, produceren altijd wel getallen – dat is geen kunst – maar het gaat erom de betrouwbaarheid van die getallenbrij in te schatten, en ook om elk onderdeel van een model experimenteel te toetsen. Het ontbreekt veel meer aan metingen dan aan modellen.

Als we in de ochtend de loopbrug van het schip afdalen, is het -18 graden – uit de wind wel te verstaan. De mist van gisteren is verdwenen. De zon schijnt. Maar dezelfde richting waarvandaan de zonnestralen komen, daarvandaan waait ook de wind. Het is een matige wind, maar toch. Hij verpest dubbel en dik wat de zon aan aangenaams serveert. Ik voel vandaag wat windchill in de poolstreek kan betekenen. Mijn tenen zullen nog een halve dag natintelen.

Vandaag ga ik een ochtend mee met professor John Yackel van de Universiteit van Calgary, en een paar studenten. Het puzzelstukje dat hen bezighoudt is hoe de dikte van de sneeuwdeken de fysische eigenschappen van het zeeijs beïnvloedt.

In de binnenzak van mijn jas heb ik mijn geluidsrecorder een warm plekje gegeven, zodat de batterij het in de kou niet binnen tien minuten begeeft. De microfoon trek ik door de halsopening en ik laat het snoer zakken tot bijna tegen de sneeuw aan. Met z’n zessen lopen we het besneeuwde ijs op en ik vereeuwig het geluid van de knerpende sneeuw. Het zeeijs eronder is vrij ruw. IJsschotsen duwen onder invloed van de wind tegen elkaar aan. Door de druk wordt het ijs op sommige plaatsen omhoog gedrukt. In onze omgeving maximaal enkele tientallen centimeters, maar de druk kan het ijs ook wel meters hoog opstuwen. Vandaar ook dat er lucht tussen het ijs en het water kan zitten.



Mijn kamergenoot Roger Memorana, de enige eskimo aan boord – hij vertelde me dat ik hem gerust eskimo mag noemen in plaats van Inuit, de tegenwoordig politiek correctere naam – is als een soort manusje van alles meegegaan (later meer over hem…). Roger graaft het eerste vierkante sneeuwgat, tot het ijs helemaal open en bloot ligt. Een van de studenten gaat vervolgens op zijn knieën in het gat zitten. Op verschillende sneeuwdieptes meet hij de temperatuur van de sneeuw en neemt hij sneeuwmonsters, onder andere om de sneeuwkorrelgrootte te meten.

“Hoe dikker de sneeuw, hoe beter het ijs thermisch geïsoleerd wordt”, legt Yackel uit. “Is de sneeuwlaag dun, dan komt er veel koude lucht bij het ijs. Is de sneeuwlaag dik, dan werkt de sneeuw als een warme deken. Temperatuur, zoutgehalte en elektrische eigenschappen van het zeeijs variëren met de dikte van de sneeuwlaag.” De elektrische eigenschappen zijn van belang om te achterhalen hoe de satellietmetingen van de ijsdikte precies geïnterpreteerd moeten worden. Ook vergelijkt Yackel vandaag een oud en een nieuw sneeuwmeetinstrument met elkaar. Check-check-dubbelcheck.

Afstudeerstudente Lauren Candlish van de Universiteit van Manitoba draagt poolschoenen, maar begint na een uur toch wat wanhopig op en neer te springen: “Wat ik ook doe of draag, na een uur op het ijs beginnen mijn handen en voeten koud te worden.”

Terwijl we een tweede sneeuwput graven en opmeten, zien we de helikopter van de Amundsen een inspectievlucht in de omgeving uitvoeren. De kapitein vertelde gisteren dat hij de boot naar een betere plek in het ijs wil varen. Maar omdat hij de boordlabs niet op orde vindt – rondslingerende chemicaliën, niet gelabelde potjes en doosjes, dozen die in de weg staan – vindt hij het niet verantwoord de boot in beweging te brengen. En dus wordt iedereen verzocht de labs zo spoedig mogelijk op te ruimen. Dan kunnen we een stukje gaan varen en ijs gaan breken.

IJsgeheimen (5)



Poolblog – Zaterdag 26 april http://www.volkskrantblog.nl/blog/57852

Gisteravond was de wetenschappelijke aftrap. Elke onderzoeksgroep presenteerde zich en stelde een actieplan op. De Circumpolar Flaw Lead-study (CFL) die met de Amundsen wordt uitgevoerd, is multidisciplinair en varieert van fysisch, biologisch en chemisch tot atmosferisch en oceanografisch onderzoek. Een aparte plek is er zelfs voor onderzoek naar de eskimokennis van het zee-ijs. In totaal werken in een jaar tweehonderd wetenschappers uit vijftien landen mee aan de CFL. Voor de nieuwe lichting wetenschappers, waarmee ik aan boord kwam, is vandaag de eerste echte werkdag.

Ik wil zo snel mogelijk het ijs op, en besloot me gisteravond aan te melden bij de onderzoeksgroep ‘Biologie en chemie van het zee-ijs’. Het ochtendprogramma: ijskernen boren.



Het is -15,2 graden om negen uur ’s ochtends en ik ben tot de tanden met pooltextiel gewapend. Alleen mijn bergschoenen zijn eigenlijk te koud voor urenlang werken op het ijs. Sommigen hebben arctische schoenen, die tegen -50 schijnen te kunnen. Met z’n achten gaan we het ijs op. De wetenschappers brengen hun instrumenten en gereedschap per sneeuwscooter naar de boorplek. Mijn Canadese collega-wetenschapsjournaliste en ik lopen het stukje. Het is mistig en van de kapitein mogen we niet verder dan tweehonderd meter van het schip gaan. Daar worden de sneeuwscooters gestald en uitgeladen. Afstudeerstudent Benoit Philippe van de Universiteit van Quebec in Rimouski (UQAR) is niet alleen onze teamleider, maar ook onze ‘gunman’. Hij kan en mag schieten. Verder is er een gewapende bewaker van het schip meegekomen. Hij houdt voortdurend de omgeving in de gaten, mocht er een ijsbeer opduiken.

Eerst zoeken we drie plekken uit waar we ijskernen gaan boren: plekken met verschillende sneeuwdiktes bovenop het ijs: van tien tot enkele tientallen centimeters. De sneeuwdikte heeft invloed op de hoeveelheid licht die het ijs ontvangt en daarmee op de biologie. Vervolgens boren we gaten, halen de ijskernen naar boven, zagen ze in stukken en stoppen ze in thermosflessen. Afstudeerstudente Chantal Lacoste van de Universiteit van Quebec meet de ijsdiktes en ik noteer de metingen: bijna overal 1,31 meter. Soms een centimeter meer of minder.



Chantal laat me de lichtbruine onderkant van een net omhoog gehaalde ijskern zien. “Dat zijn de zee-ijsalgen.” Zee-ijsalgen staan aan de onderkant van het arctische voedselweb. Zelf onderzoekt ze niet de algen, maar de kleine beestjes in het ijs: nematoden en andere wormpjes, beestjes die leven van algen en microben. “Mijn familie verklaarde me voor gek dat ik hier mijn afstudeeronderzoek wilde doen, maar ik wil niets anders. Ik vind het fantastisch hier. Wat ik na mijn studie wil gaan doen, weet ik nog niet, als ik maar naar Arctica of Antarctica kan gaan.”

Het is een poolvirus dat veel van de wetenschappers aan boord heeft besmet. Een verslaving aan het buitenwerk in de poolwoestijn en aan het hechte, afgezonderde leven aan boord. Een raar soort wetenschappelijke commune. Weglopen kan niet. Je zit met elkaar opgescheept en dat kan zowel tot hechte vriendschappen als tot grote ruzies leiden. “Hoe kouder het buiten is, hoe groter de spanningen die bij het veldwerk ontstaan”, zegt Chantal. “Iedereen wil zijn eigen ding gedaan krijgen, en dat kan makkelijk botsen.”

Het structureel later bevriezen, vroeger smelten en dunner worden van het noordpoolijs heeft ook gevolgen voor de hele arctische voedselketen. De onderzoeksgroep waarbij ik me vandaag heb aangesloten, bestudeert deze gevolgen. Zee-ijs is de spil van het leven in het arctische gebied, zoals bomen dat voor de tropen zijn. Juist omdat het ecosysteem hier vrij simpel is vergeleken met alle andere klimaatzones op aarde, én omdat de biodiversiteit relatief laag is, kan een verandering in een deel van de voedselketen grote gevolgen hebben voor de rest van de keten.

Na een kleine drie uur werken, keren we terug naar het schip. De ijskernen die we buit hebben gemaakt, verdwijnen naar de laboratoria aan boord. Klaar om doorgelicht te worden op ijsalgen en ijsfauna; op koolstofdioxide en koolstofmonoxide. Niets kan het ijs geheim houden.

Snuffeldag (4)


Poolblog – Vrijdag 25 april http://www.volkskrantblog.nl/blog/57852

De eerste volle Amundsen-dag bestaat uit snuffelen. Snuffelen aan elkaar en aan de boot. Eerst stelt iedereen zich voor en daarna maakt de kapitein ons wegwijs in ‘Discipline, safety & savoir vivre’ (de volledige bemanning komt uit Quebec en is dus Franstalig). In totaal zijn we met tachtig personen aan boord. Veiligheid gaat voor alles. Wetenschappelijke instrumenten gaan geregeld in het ijs verloren, maar dat mag met mensen niet gebeuren. Iedereen brengt een kort bezoek aan de boordarts, die je bloeddruk opneemt en in vogelvlucht de grote en kleine kwaaltjes met je doorneemt. Alles in goed vertrouwen, zegt ze. Heel veel heeft ze kennelijk niet te doen, want ze zegt dat je ook mag langskomen voor een praatje.

Wie in zijn eentje het ijs op wil, moet dat kenbaar maken aan het personeel, moet een satelliettelefoon meenemen, een toestel om radiocontact te maken met de boot en extra batterijen die je binnen in je jas warm moet houden. Batterijen hebben een bloedhekel aan kou en kunnen er, als je pech hebt, na een kwartier al de brui aan geven. Vanuit de navigatiehut wordt verder voortdurend in de gaten gehouden wie waar op het ijs rondloopt.

“Je denkt wel dat je maar voor vijf minuten het ijs op gaat”, zegt de kapitein, “maar als je pech hebt worden dat een paar uur.” Als je door een breuk in het ijs gescheiden wordt van de boot, biedt de helikopter die aan boord is redding. Verder van de boot vandaan mag alleen voor wie een geweer meeneemt – en er ook nog mee kan schieten. IJsberen zien er weliswaar aaibaar uit, maar dat denken de beren niet van ons. Eén van de wetenschappers vraagt om een extra schietoefening, om weer een beetje in het ritme te komen. En dus wordt er voor morgen een oefensessie op het ijs belegd.

Later in de morgen meldt de kapitein dat hij vanuit de navigatiehut met zijn verrekijker een ijsbeer heeft gespot, op ongeveer een kilometer van de boot, en dat de beer richting het schip loopt. Als hij te dicht bij de boot komt, wordt er eenmaal op een fluit geblazen. Maar de rest van de dag heb ik geen fluit gehoord.

Na het theoretische blokje discipline en veiligheid worden we ingewijd in de praktische geheimen van de boot. Een rondleiding langs elk dek, vooral langs plekken die essentieel zijn voor de veiligheid: reddingsboeien, reddingsboten, helikopterdek, alarmbellen, rookmelders, brandblusapparaten, brandslangen, speciale deuren die water kunnen tegenhouden, een hok vol met overlevingspakken, en vast nog meer dingen die ik nu vergeten ben (zoals dat vaak gaat met veiligheidsinstructies).

Als enige die nog niet met een wetenschappelijke poolexpeditie is meegevaren, mag ik me in zo’n waterdicht survivalpak hijsen, waarmee je in geval van nood de poolzee in kunt springen. Het oppervlaktezeewater is hier -1,7 graden (zout werkt vriespuntverlagend) en hoewel het pak je droog houdt, houdt het je niet lang warm. Het is meer uitstel van executie – hopen dat er op tijd hulp komt. Ik krijg ook praktische instructie hoe ik een menselijke ketting moet vormen voor het geval ik met meerdere lotgenoten tegelijk in het water beland. Dicht tegen elkaar aan, en goed vasthouden.

O ja, aan het savoir vivre werd vandaag de minste tijd besteed. De bar is geopend op dinsdag, donderdag en zaterdag van acht tot elf ’s avonds. Er moet altijd een principal scientist een oog in het zeil houden…op zijn minst om het aantal consumpties p.p. te tellen. Vijf is de limiet.

Niemand waagt zich vandaag nog op het ijs, behalve enkele doorgewinterde bemanningsleden die nagestuurde wetenschappelijke instrumenten gaan ophalen van een vliegtuigje. En dus hou ik het ook bij het bovenste buitendek, dat een subliem uitzicht biedt op het inmiddels bevroren spoor van de Amundsen in de omliggende poolwoestijn. Ik sta als enige op het dek. Mijn savoir vivre van vandaag. Even navragen leert dat we nu op 71,0450 graden noorderbreedte zitten, en 123,2580 graden westerlengte. De zon schijnt. Het is 16 graden onder nul en er staat nauwelijks wind. Behalve wat geluid van de boot is het muisstil in de omgeving. De zon staat laag aan de hemel, maar de schittering op het besneeuwde ijs is oogverblindend, en zonder zonnebril gaan je ogen snel pijn doen.

Om de nieuwe lichting gisteren op te pikken, en het vliegtuig te laten landen, moest de boot voldoende dik ijs opzoeken. Hij heeft zich vastgevaren in het ijs – hier ongeveer anderhalve meter dik en minder dan een jaar oud – en de bedoeling is dat hij hier zo lang mogelijk blijft liggen. In ieder geval tot het ijs gaat opbreken. De wetenschappers die meten aan zee-ijs, willen liefst zo lang mogelijk aan hetzelfde ijs meten.

Het moment waarop ‘ons’ zee-ijs opbreekt, kan over een uur zijn, maar dat kan ook over tien dagen zijn. Dat is zo’n beetje het verwachte maximum. En als dat het geval is, dan zal ik met de Amundsen weinig varen. Overigens is dat stil liggen relatief. Zee-ijs ligt nooit stil. We drijven met het ijs mee, met een driftsnelheid van ongeveer een kilometer per uur. Ik heb geen idee waarheen.

video

Eindelijk aan boord (3)


Poolblog - Donderdag 24 april http://www.volkskrantblog.nl/blog/57852

Het is vijf uur in de nacht als we met een B737-200 van het vliegveld in Winnipeg opstijgen. Zonder bagage in te checken, zonder security-controle, zonder paspoort te laten zien. Gewoon namen afvinken op een lijstje. En met aan aangename babbel met de piloot.

Aan boord: zo’n veertig onderzoekers, een tiental bemanningsleden van de Amundsen-ijsbreker en twee journalisten, een Canadese collega-freelancer en ik. Tweeënhalf uur tot een brandstofstop in Yellowknife, en vervolgens nog anderhalf uur tot Inuvik.

John Iacozza, zee-ijsonderzoeker van de Universiteit van Manitoba gaat al voor de veertiende keer mee met zo’n soort expeditie. Hij vertelt over de grote veranderingen die optreden in het zee-ijs. Het wordt dunner, de oppervlakte neemt af, het smelt eerder, er is nauwelijks meer ijs dat aan het vasteland vastzit en het gedraagt zich veel onvoorspelbaarder dan gebruikelijk is. Iacozza bestudeert vooral wat deze veranderingen voor de ijsberen in petto hebben. “De ijsbeer zoekt relatief stabiele plekken op in het zee-ijs”, zegt hij. “Die stabiele plekken verschuiven echter meer en meer noordelijk. In de Amundsen Golf zijn ze steeds minder te vinden. Daar hebben ze minder zeehonden om op te jagen. We hebben al een paar maal mannetjesijsberen gezien die puur van de honger de kleintjes van een vrouwtje opaten.”

Om half tien landen we in Inuvik. De zon schijnt en de thermometer houdt het bij -10. We worden in negen groepen ingedeeld, die een voor een met een Twin Otter-toestel naar de Amundsen-ijsbreker worden gevlogen. Ik zit in groep zeven. Het zal nog tot vijf uur ’s middags duren eer we eindelijk koers zetten richting de Amundsen, met uren vertraging, en als laatste groep. Er moest wat gesleuteld worden aan het vliegtuig. Het arctisch gebied is dol op verrassingen, of het nu het weer is, het ijs, of de techniek.

Tijd te over om op het vliegveld van Inuvik alvast een flink deel van de onderzoekers aan de tand te voelen. Zo vertelt Jens Ehn over een incident van twee maanden geleden. De Twin Otter had net een verse groep onderzoekers op het ijs afgezet, toen het ijs precies tussen de groep en de boot begon te scheuren en ze van elkaar af begonnen te drijven. Uiteindelijk zat er niets anders op dan de boot uit de ene ijshelft te manoeuvreren en in de andere ijshelft te varen en daar de onderzoekers op te pikken.

De dansvloer van de duivel, noemen sommigen het zee-ijs. Zo onvoorspelbaar is het.

Vorige week nog speelden Amundsen-bemanningsleden ijshockey op een zelf afgebakend stukje zee-ijs vlakbij de boot. Na een half uur begon het veld in tweeën te breken. Een paar uur later was de breuk uitgedijd tot tientallen meters.

Om vijf uur verlaten we Inuvik en vliegen we naar de boot. Het uitzicht is onwerkelijk. Opeens wordt het besneeuwde vasteland omgetoverd tot besneeuwd zee-ijs. Overal lopen breuken. Soms flinterdun, soms tientallen meters breed. Een mozaïek van ijsschotsen drijft op de Amundsen Golf. Puzzelstukjes die uit elkaar schuiven. Kunstzinnige geometrie.

En dan, na een kleine twee uur, komt het ijs steeds dichterbij. Ineens duikt in de verte het rode schip op. Eén enkele rode stip in het witte landschap. Op het ijs is een landingsbaan geprepareerd, en geruisloos landt de Twin Otter op de bevroren Amundsen Golf. Nu is het echt koud, en is mijn poolkleding eindelijk geen luxe meer. Razendsnel gaat de bagage van boord. En voor we het weten staan we in een geïmproviseerd houten karretje dat achter een sneeuwscooter hangt. De scooter stuitert over het ijs naar de Amundsen. We kieperen net niet om.

Na drie dagen reizen, en met een heleboel verloren uren slaap, beklim ik de loopplank naar het dek.

video
video